Posts tonen met het label Album Review. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Album Review. Alle posts tonen

donderdag 29 oktober 2015

Joanna Newsom - Divers (2015) -- Album Review

Joanna Newsom
Divers
Chamber Folk, Progressive Folk, Baroque Pop









2015, dames en heren, is werkelijk een prachtjaar voor muziek en dus automatisch ook een rampjaar voor budgettering. De globale economische trends even buiten beschouwing gelaten, is dit jaar voor de muzikale wereld een ware cluster én node—een gelukkige samenkomst van toeval en nieuwe releases van grote en groeiende muzikanten. Ik denk aan Sufjan Stevens, Slayer (kuch), Soilwork, Kendrick Lamar, Foals, Beach House (tweemaal!), Tame Impala, en zo veel meer. En het jaar is nog niet eens voorbij. Zelfs Adele brengt over een kleine maand een nieuw album uit (en God beware ons van de radiotijd die daar aan zal worden geweid).

En nu is er de nieuwe als-een-firmament-geweven-en-gekleurd muzikale openbaring vanwege Joanna Newsom, een langspeler genaamd Divers. Ik ben er sprakeloos van. Vijftig minuten en vijftig seconden vol van intrinsieke composities. Een lichte barokke toets hier en daar, een geweldig complex tapijt van kleur en verhaal. Zelfs wat Country dat af en toe door de waas van schoonheid in ons gezicht schijnt. En dit alles gebracht op een manier die toegankelijker is dan we gewoon zijn van Newsom. Zonder veel meer: kanshebber voor album van het jaar.

Ik weet wel, er is sowieso geen variant van deze wereld denkbaar waar Newsom een slecht album uitbrengt—dat wist ik al langer dan vandaag, getuige haar impressionante catalogus van progressieve, neoklassiek geïnspireerde juwelen van harp en fantasie tot nu toe. Maar Divers overtreft al mijn verwachtingen omdat het de beste elementen van haar voorbije werk op een energieke, maar ook subtiele manier samenbrengt.

Dit album loopt over van persoonlijkheid en intimiteit. De mix klinkt helder maar ook warm. De composities die je hier hoort, complimenteren Newsoms stem en zorgen meteen voor de juiste soort variatie van nummer tot nummer. De ene keer klinkt het wijds, zoals op ‘Sapokanikan’, en op andere momenten komt het allemaal erg klein en intiem over. Dit toont hoe sterk het composities hier wel niet zijn; de balans ligt ergens tussen de breedheid van de instrumentatie en de focus op de zang.

Dat laatste kan bijna niet anders, want vanaf de eerste zang lijn kan je niet om Joanna Newsoms klankkleur heen. Ze klinkt voor het ongeoefende oor vaak iets te schel—dat was mijn eerste indruk toen ik in 2010 Have One On Me hoorde—maar met meerdere luistersessies begint de geweldige controle die ze heeft over haar stembanden duidelijk te worden. Ze verandert van de ene stijl naar de andere zonder verpinken, vaak in dezelfde melodielijn: van kopstem naar scherpe borststem, van licht nasaal in een keer naar iets hijgerigs. Ik doe het waarschijnlijk niet erg appetijtelijk klinken, maar je kan gewoon niet anders dan de controle die ze heeft te bewonderen.

Die geweldige stem levert daarmee ijzersterke songteksten af. Joanna Newsom schrijft op Divers bijzonder mooie verhalen neer die elk op zich een microkosmos van betekenis vormen binnen het thema van het album. De liedjes zijn als capsules die je telkens opnieuw langzaam kan verteren met hun (vaak) bitterzoete boodschap. Je kan eigenlijk opnieuw en opnieuw betekenis vinden in deze teksten—en dan gaat plots de muziek ook meer betekenen. Newsoms verrassende toegankelijkheid biedt bij Divers zelfs meer diepgang dan voorheen (voor mij overstijgt dit zelfs het gigantische Have One On Me).

Ik kan me er toch niet van weerhouden even de complexiteit van de liedteksten aan te stippen. Essentieel is het cyclische aspect van de tijd en de subjectieve ervaring ervan door de mens. Klinkt dat hyperintellectueel? Dat was ook mijn eerste indruk; maar dit is wat de songs aan elkaar bindt, en het maakt ze des te mooier. ‘Anecdotes’, bijvoorbeeld, levert enkele observaties over tijd en de werking van fictie: “But what is this sample proving? / Anecdotes cannot say what Time may do,” zingt Newsom bij het begin van dit lied. Klinkt logisch, want verhalen van alle soorten zijn nog steeds onderhevig aan de voortgang van tijd. Een verhaal behoort toe aan het verleden, niet? Later volgt ze dit echter op met “Bound to a wheel that is not my own, / Where round every bend I long to see / Temporal infidelity.” Laat dat nu precies zijn wat verhalen doen: ze willen de stroom van de tijd verbreken, en mensen willen dat ook doen. Wat als je op die manier de realiteit kan vervangen met een fictie?

Aanschouw dan de schoonheid van wat de ik-verteller aan het eind van ‘Anecdotes’ vertelt:

“In the folds and the branches, / Somewhere, out there, / I was only just born into open air. / Now hush, little babe. / You don’t want to be / Down in the trenches, / Remembering me, /

Het ‘nu’ wordt hier afgezworen. In fictie zit, op een of andere manier, de kracht om de verbinding tussen verleden, heden, en toekomst te verbreken—de herinnering wordt vervangen door een ideaal beeld:

Where you will not mark my leaving, / And you will not hear my parting song. / Nor is there cause for grieving. / Nor is there cause for carrying on. /

Als we dat idee van de vervalsing van realiteit volgen, betekent ‘you will not’ hier niet ‘jij wil niet’, maar ‘jij zal niet’. De potentiële dood van de spreker wordt hier vervangen door een andere beleving van de werkelijkheid. Dat wordt versterkt in het bloedmooie einde van dit lied:

—and daughter, when you are able, / Come down and join! The kettle’s on, / And your family’s round the table. / Will you come down, before the sun is gone?”

Het lied zelf gaat terug in de tijd en vervaagt tot een… ja, een anekdote. Een momentopname. Op die manier worden de oorlog en dood, waar eerder in het lied naar wordt verwezen, verworpen. Het ‘nu’ is vervangen door fantasie. En dat vormt op zich dan het bitterzoete van dit verhaal: het is niet meer dan een fantasie, of de bewuste ontkrachting van wat nu eenmaal is.

Geloof me, ik kan zo eindeloos doorgaan. Dit is wat me uiteindelijk steeds doet terugkeren naar het album, opnieuw en opnieuw. Elk lied op dit album doet iets gelijkaardigs. Het gaat bij ‘Divers’, titelnummer van het album, om een meditatie over de dood en sterfelijkheid. In “A Pin-Light Bent” valt de ik-spreker uit een vliegtuig (ik meen het): “Short flight; free descent. / Poor flight attendant,” klinkt het. De momentopname staat hier centraal. Newsom laat het hele album zelfs een ‘loop’ vormen: het laatste woord van het laatste lied, “Time, As a Symptom”, is “Tran-”. Het vormt een directe verbinding met het eerste woord van het album: “Sending”. Samen klinkt dat als “transcending”—‘overstijgen’, en zo worden beide uiteinden van het album samengebonden. Muzikaal loopt het ook nog eens perfect in elkaar over. Hier heb je daar het bewijs van (skip naar 4:55 ongeveer). Divers is verdorie een eindeloze lus.

Samengevat: Divers biedt verslavende melodieën en toegankelijke liedstructuren, ondersteund met de subtiliteit van de songteksten die gebracht worden op een verhalende en eindeloos variërende manier. Elke nieuwe luisterbeurt brengt iets nieuws aan het licht. Joanna Newsom heeft hiermee voor mij zo goed als het album van het jaar uitgebracht. En dat is veel gezegd, want Carrie & Lowell van Sufjan Stevens, To Pimp A Butterfly van Kendrick Lamar, en The Epic van Kamasi Washington zijn dit jaar ook uitgekomen. Ik zeg het dus nogmaals: 2015 is een prachtjaar voor muziek.




95/100


dinsdag 22 september 2015

Slayer - Relentless (2015) -- Album Review

Slayer
Repentless
Thrash Metal, Speed Metal






Het heeft een tijdje geduurd. De nieuwe Slayer is er tot groot jolijt van de fanbase die, zoals het een fanbase betaamt, erg trouw is gebleven aan de band die Thrash Metal mee op de kaart heeft gezet en er wereldfaam mee heeft behaald. Slayer is een van die bands die een gouden periode meemaakten in de jaren '80, met ware klassiekers als Show No Mercy (1983), Hell Awaits (1985), Reign in Blood (1986), South of Heaven (1988), en Seasons in the Abyss (1990). Ze hebben meegewerkt aan de popularisatie van Thrash Metal en Speed Metal door hun woede en agressie in muziek om te zetten zonder te vergeten het ook luisterbaar te houden.

En toen ging het wat minder. De jaren '90 waren moeilijk, en de jaren '00 nog moeilijker. De mannen van Slayer probeerden (zoals zo veel bands) hun geluid, dat zo bekend was geworden, te veranderen en te laten evolueren. Dit was spijtig genoeg niet altijd even makkelijk als het had moeten zijn. De agressie bleef aanwezig in de muziek, de pit zat er steeds in, maar het resultaat was vaak een beetje... Saai? Ongeïnspireerd? Plat? Het gaat natuurlijk om persoonlijke preferentie op dat vlak. Ik vond vroeger Divine Intervention (1994), Undisputed Attitude (1996), en Diabolus in Musica (1998) best goed. Het had allemaal een Cross-Over geluid en heel wat meer Hardcore Punk, en dat was goed. Nu ja, het waren geen van al albums zoals Reign in Blood; soms waren ze wat raar en troebel, soms zelfs een beetje ongemakkelijk, maar het klonk wel nog goed naar mijn mening. De wereld neigt hiermee niet akkoord te gaan, vrees ik, en ikzelf ook niet meer ondertussen.

Toen God Hates Us All in 2001 op 11 September uitkwam, leek de legende van Slayer plots in steen gebeiteld: de band werd gezien als niets meer dan het imago dat ze zichzelf aanmaten. Het was natuurlijk niet hun bedoeling, maar ze hebben die nieuwe status wel volledig en geheel omarmd door er een 'gimmick' van te maken. De lyrics—iets dat bij de band altijd al een beetje kantje-boordje was, vind ik—werden nog moeilijker om zich bij te identificeren. Het was plots de vlakheid hun intentie die het voortouw nam. Het werd—durf ik het zeggen?—een heel klein beetje scene. Christ Illusion (2006) volgde die trend verder op, zoals de titel van dat album al doet vermoeden. Op zich was er niet zo veel veranderd: alles was gewoon iets minder subtiel.

World Painted Blood (2009) was voor velen de veelbelovende return-to-form. Het was een ruwe plaat die weer de energie van vroeger tentoonstelde zonder te moeten inboeten met rare stijlkeuzes of een bizarre samenhang. Het was Slayer new-style. Het was Thrash Metal pur sang, zoals Testament het nog steeds zonder falen brengt. Het niveau van vroeger werd echter meer gehaald. Op dat moment zei het me ook helemaal niets meer, maar wat verwacht je? Slayer was ondertussen bijna twintig jaar verder.

En nu is daar Repentless. Ik ben een beetje gefrustreerd. Ik weet niet goed hoe ik dit moet uitdrukken.

Ik heb eerst en vooral een klein iets te verduidelijken. Mr. King? Het woord dat u zocht, is "unrepentant".

Het album begint met een al bij al betekenisloze intro die niet bepaald veel doet om het bloed te doen pompen. Daarna komt meteen de titeltrack: een snelle, maar alweer betekenisloze opener waarin Kerry King het beste van zichzelf geeft door een snelle vier-tellen-riff tweemaal te herhalen en dat dan op te volgen met een trage power-chord gebaseerde opbouw. Die opbouw wordt volbracht door diezelfde power-chords welgeteld drie keer op identieke manier te herhalen terwijl de drums hun best doen variatie te brengen. Maar variatie brengen met het drumwerk zonder dat de gitaren zich helemaal op hun gemak voelen, is als tomaten in de woestijn kweken: no way. Van een bas is in de mix al bij al weinig te horen. Zo zet het album zich in. Dat laat bij mij gewoon een wrange nasmaak achter.

Mijn frustraties zitten niet bij de muzikale (met nadruk op -kale) inhoud, omdat die min of meer hetzelfde is als bij World Painted Blood: agressie en snelheid met veel Thrash Metal by-the-book elementen erbij. Het is de opzet ervan dat me hier irriteert. Bij World Painted Blood kon ik het nog vergeven dat er niets nieuws aan de horizont te horen was omdat de muziek op zich nog oké zat. Hier benadrukt de opzet en uitvoering op de meest ongemakkelijke manier de totale afwezigheid van thematische inhoud. Het album gaat min of meer op diezelfde manier door als die opener. Ik kan me na een vijftal luisterbeurten geen enkel nummer precies herinneren, omdat er niets bij zit waarvan ik ofwel denk "Ja, man, dat is pas een groove/melodie", of "Dit lied heeft een boodschap die resoneert". Er springt niets uit in die kolkende massa middelmatigheid. Daarom heb ik ook gewoon geen zin meer om de plaat opnieuw op te leggen.

Dit is Slayer zonder de finesse van een degelijke riff. Het is Slayer met meer vlees in de kuip (zo lijkt het), maar met minder in het hoofd. Het is Slayer met de spreekwoordelijke vinger aan de pols, maar het is de polsslag van het jaar 2008 of zo, want de lyrics zeggen hier gewoonweg niks.

Als ik er dan aan terugdenk of er toch geen momenten zijn die ik wel de moeite waard vind, word ik een beetje kwaad. Ik zou best willen zeggen dat dit de hardste, snelste, venijnigste nummers zijn die Slayer ooit bij elkaar geschreven heeft, want dat lijkt de bedoeling van de bandleden te zijn geweest. Maar daarvoor moet ik eerst twee grote obstakels voorbij. Het eerste obstakel bestaat uit het feit dat ik moeite heb met het woord 'schrijven' gelijk te stellen aan het zinloos herhalen van een riff voor er een andere wordt achter geplakt zonder muzikale linken, terwijl Tom Ayara staat te schreeuwen alsof hij zijn respirator kwijt is. Het tweede obstakel bestaat uit mijn, naar mijn mening, gegronde twijfels of de woorden 'hard', 'snel', en 'venijnig' wel nog betrekking hebben op de heren van Slayer wanneer ik eigenlijk niet meer kan uitmaken of ze wel nog het verschil weten tussen vooruit en achteruit wat hun ideeën betreft. Dit album is gewoon pure stagnatie. Het klinkt zinloos. Staan ze nu te headbangen, of te knikken van de slaap? Hebben ze nu net woedend hun frustraties geuit over de hedendaagse maatschappij, of waren ze eerder verwoed aan het vechten tegen de aanstormende slaperigheid die deze zielige hoop miserie met een faux-pas naam uitlokt? Zijn ze nu echt zo ongeïnspireerd?

Oké, genoeg. Ik heb me eens kunnen uitlaten. Ik vind het écht spijtig. Slayer is nog steeds een naam die geassocieerd wordt met de faam die ze verdienen voor de muziek die ze hebben uitgebracht door de jaren heen. Dit album toont echter dat de tijden misschien te snel gaan voor een band die zelf al wat jaren achter de rug heeft, en die bovendien twee essentiële bandleden verloren heeft op korte tijd. Jeff Hannemann overleed plotseling in 2013, en dat moet een harde klap geweest zijn voor de bandleden. Dave Lombardo verliet de band uiteindelijk om vervangen te worden door Paul Bostaph. Misschien is de samenwerking zoek? Zit de grief nog te diep in de zielen van deze heren? Of is het licht plots uitgegaan toen de pen voor het eerst op papier neerkwam?

Op dat vlak voelt het slecht aan om dit album slecht te vinden. Een sterk woord, slecht, maar ik kan niets anders bedenken. Misschien houd ik de herinnering aan de voorbije jaren en mijn voorbije ervaringen met Slayer te veel in het achterhoofd. Of misschien ben ik ondertussen meer gewoon dan toen.

Dit album had gewoon zoveel beter kunnen zijn. Ik heb amper iets gezegd over de lyrics in dit review omdat het allemaal gewoon zo pijnlijk is. "A little violence is the ultimate drug / Let's get high!" schreeuwt Araya in "Vices", en oké, goed dan, maar zelfs Slipknot kan beter. Ik ben geheel niet overtuigd. Was dat een solo, of is er net een snaar gesprongen? Op dit moment zijn er betere Thrash Metal/Speed Metal bands actief, en hoewel ze de gouden achtergrond van Slayer niet hebben om op te steunen, leveren ze beter werk dan wat op Repentless gepresenteerd wordt. Ik ben zeker dat fans hiervan zullen smullen, en ik wens het ze toe. Voor mij is dit World Painted Blood met een stevige downgrade.



30/100

woensdag 16 september 2015

Foals: - What Went Down (2015) -- Album Review

Foals
What Went Down
Indie Rock, Post-punk
Release: 28 Augustus, 2015



De nieuwe van Foals brengt een kleine stijlverandering met zich mee en komt over de toog met meer focus dan we van de indie-rockers gewent zijn. De plaat heet What Went Down en kwam reeds uit op 28 augustus bij Transgressive Records. Zoals de titel van het album al doet vermoeden, is deze release wat somberder dan voormalige langspelers van de band. In een interview bij Q Magazine dat op 7 Augustus de wereld werd ingestuurd, verklaarde zanger Yannis Phillippakis ‘pessimistisch’ te zijn over de medemens. Hij zei toen ook, “For all the Googling, all the selfies, all the great IKEA furniture, the world is as savage and dark and brutal as ever.” (via Q Magazine). Met dit in gedachten is het niet verrassend dat het nieuwe album zo’n lage noot aanslaat. Maar het komt wel onverwacht van een band als Foals die al bij al toch niet zo pessimistisch leek te zijn.

Toen Holy Fire uitkwam in 2013, bleek het dat Foals zowel de Math-Rock geïnspireerde Dance-Punk van Antidotes (2008) als de Dream Pop zwoelheid van Total Life Forever (2010) achter zich gelaten had, om zich neer te leggen bij een comfortabeler Pop Punk gevoel en geluid dat spijtig genoeg niet zo coherent overkwam. Er waren nog energieke nummers te bespeuren à la 'Cassius', maar de punch leek toen naar mijn mening nagenoeg uit hun muziek verdwenen te zijn. De single die destijds uitkwam, ‘My Number’, vond haar basis in de Dance-Punk, maar klonk als niets meer dan de commercieel-gerichte huls van een lied dat de bedoeling had Foals naar de mainstream te leiden. Op zich was de single niet slecht want het is een catchy nummer, maar het bleek de bodem uit hun muziek te halen.

Nu schotelen de veulens ons een nieuwe visie voor van wat hun muziek behelst. What Went Down is een donkere, zware mix van hun Dance-Punk geluid door de waas van de Post-Rock getrokken, en afgewerkt met de kwaliteit van de productie die te horen was op Holy Fire. De geleverde muziek klinkt initieel een beetje minder afgewerkt: het heeft wat meer pit, wat meer ruwheid, misschien zelfs een extra teen. Het is een plaat die de logische evolutie lijkt te zijn van een band die zich niet tevreden stelt met de relatieve gemakken van de mainstream. Foals durft de nek al eens uit te steken, of dat lijkt toch zo. Het album vormt voor mij de symbiose van de vele stijlen en kleuren die Foals al gecreëerd hebben in hun carrière. Het voegt er zelfs nog een paar nieuwe ideeën bij zonder de essentie van de muziek te veranderen—wat zowel positieve als negatieve gevolgen heeft.

Het is een album dat vooral volwassen klinkt. Hier vind je niet meteen de pure speelsheid die je zou verwachten van een band als Foals, maar onder de laag vernis zit wel serieus wat venijn verborgen. De ritmes kolken. Er zit iets krachtigs verborgen net onder het oppervlak, maar je hoort of ziet het amper. Hier en daar komt de ruwheid dan plots naar boven. Het is te lezen in de titels van de nummers die hier verzameld zijn, en het is te horen in de liedteksten. 

Ik denk hier aan het eerste nummer, titel-track ‘What Went Down’, waar Yannis Phillippakis tevens het beste van zichzelf laat horen. Veel van de beelden die in zijn teksten verschijnen, doen somber aan. “I buried my heart in a hole in the ground”, “When I see a man, I see a lion”, en “I fell for a girl with a port-wine stain / I knew her initials but never her name” zijn zo enkele versregels uit het nummer. Het schildert een kille wereld af waar identiteit niet meer is dan een uiterlijk, waarbij de menselijkheid—of zeg maar, de inhoud—van mensen wegvalt. Als de titel van het nummer een vraag was (“What went down?”) zou het antwoord waarschijnlijk ‘humanity’ zijn. ‘A Knife in the Ocean’, tweede single en afsluiter van het album, wijst inhoudelijk in dezelfde richting. Thematisch is dit zeker het kilste album dat Foals al bij elkaar geschreven heeft.

Er zit een lichte ruis over de opnames van elk instrument die het hele album zowel gepolijst als vuil doet overkomen. Het klinkt wat onafgewerkt, maar dat helpt de intensiteit wanneer die aanwezig is in de nummers. Vooral ‘Snake Oil’ spreekt me hierin sterk aan. De zingende, bijna verdronken gitaren; de bas en drums die het allemaal bij elkaar houden met hun stompen; en dan die zang. Jongens, meisjes: die zang. Iemand mag tegen mijn schenen komen trappen als dat niet de beste prestatie is die Phillippakis kon brengen. Hij komt echt sterk uit de hoek met een vertwijfelde, harde toon die zo zacht en tegelijk ook zo sterk kan zijn.

Hierbij komt dan het zachte gezoem van de keyboards dat alles doopt in het wijwater des onheils. Dit is het zwaarste album dat Foals al uitgebracht heeft, zonder twijfel, hoewel de gitaren hier eigenlijk meer op de achtergrond liggen. Het toetsenspel komt wat meer voorop komt te staan in de mix, en dat zorgt voor de donkere, soepele tonen die het hele album overspoelen met een buiten-wereldse sfeer, terwijl de gitaarlijnen gestaag de druk opvoeren. De hevigste tracks klinken met andere woorden telkens als wespennesten: je weet dat er gevaar kan zijn, maar je hoort eigenlijk alleen maar kwaad gezoem komen vanuit een wassen doos.

Deze aanpak werkt erg goed voor individuele nummers. Het feit dat de band niet expliciet uithaalt, doet niet af aan de kwaliteit van sommige nummers hier. Het laat Foals toe om een lied traag te laten ontplooien, en ze zijn er gewoonweg goed in. Dit is hun grote forté, wat mij betreft: een lied van zacht naar luidkeels brengen in een prachtige explosie van geluid. Een gestage crescendo van intensiteit. Ze deden het al bij geweldige nummers als ‘Spanish Sahara’ van Total Life Forever en ‘Inhaler’ van Holy Fire. Op die momenten omarmen ze hun Post Rock roots en gaan ze voluit. Het album bevat echter ook een aantal ballades die sterk contrasteren met de zwaardere nummers.

London Thunder’ is zo’n ballade. Het toont hoe geoefend de indie-rockers zijn in het schrijven van steengoede melodieën. Op zich is dit het perfecte voorbeeld van de evolutie die Foals nu lijkt door te maken als band. Het nummer zit vast tussen de progressie van de Dance-Punk en hoe ingehouden Indie Rock kan zijn, maar de band rijkt terzelfder tijd een nieuw visie op beide aspecten aan door de melodie zo open te brengen en zo centraal te zetten. Het komt dan wel niet verrassend over, maar het is wel de beredeneerdste toepassing van al wat deze heren in hun carrière tot nu toe hebben bereikt. 'Birch Tree' is hier ook een voorbeeld van, wat mij bereft.

Het is daarmee ook niet gezegd dat het album uit de voegen barst met enkel frisse ideeën en hevigheid. ‘Lonely Hunter’, bijvoorbeeld, kon evengoed op Holy Fire gestaan hebben, en biedt eigenlijk niet veel meer dan de gedachte: “Hé, hoor daar, het volgende nummer in de tracklist, en het is van Foals”. Hiermee wil ik niet zeggen dat het slecht is, want het heeft wat mij betreft de meest aansprekende melodie van de tien tracks samengenomen. Het is er gewoon zonder meer. Zulke nummers zorgen ervoor dat de loop van het album stilvalt, en spijtig genoeg komen zulke specimen vooral in de tweede helft van het album voor. Als luisteraar ga je dan wat meer letten op de fijnere kanten van het geluid, wat niet steeds even positief uitkomt. Op zijn ergst is het gewoon saai en klinkt het inspiratieloos.

Het probleem zit hem voor mij in het volgende: er is niets dat echt verrast eens je de nieuwe toon gewoon raakt. Individuele nummers, en dan vooral in de eerste helft van het album, kunnen overtuigen op hun eigen manier. Maar als je de verschillende lieden hier samenneemt, en het album in zijn geheel beluistert, lijkt het alsof de heren van Foals het soms té veilig spelen. Dat zorgt voor een spanningsveld dat nooit schokken geeft. Het doet een mokerslag van een lied als ‘Mountain at My Gate’ overkomen als iets geveinsd.

Contradictorisch genoeg ligt bij die relatieve saaiheid precies ook de kracht van dit album, want het klinkt eigenlijk helemaal niet zo saai. Het album biedt net genoeg om de aandacht te houden, en houdt je toch nog in de comfort-zone van wat je verwacht had te horen. Op die manier is de sfeer die Foals hier creëert best te smaken en kan je individuele liedjes zalig opslorpen met veel genot. Als album, in zijn totaliteit, gaat de plaat spijtig genoeg wel slepen naar het einde toe.

A Knife In The Ocean’, de afsluiter, is ondanks alles wel een geweldige afsluiter. Het klinkt alsof Foals hun beste Coldplay wilden bovenhalen, en ze doen dat goed—misschien zelfs iets te overtuigend.

Maar wacht, wat is het nu? Het album is een paradox voor mij. Er zijn elementen die ik opnieuw en opnieuw wil horen; er zijn andere dingen die me koud laten (ik kijk naar jou, 'Albatross'). Verder dan dat gaat het ook niet: sommige nummers zeggen me niets, andere zijn steengoed. Dit album zal echter wel nog lange tijd in de CD-speler zitten terwijl ik probeer te achterhalen of ik het nu echt goed vind, want hoewel Foals met weinig echt nieuws voor de dag komen, komen ze toch nog met kwaliteit aanzetten.


Score: 65/100